Komkommertijd in een lang voetbalseizoen. De Nederlandse voetbalfan heeft even een weekje vrij. Het opwindende, orgastische moment van het sluiten van de transferdeadline is reeds achter de rug en de Eredivisie ligt een dikke week stil.
Oranje vult het gat, maar voetbal dat alleen om de eer gaat wil mij in ieder geval niet boeien. Ik wil spanning ervaren en me kunnen opwinden achter de tv. Als ik een vrouw had zou ik willen vloeken dat ze niet door het beeld moet lopen en haar bevelen dat ze haar vermoeiende monologen over haar vriendinnen tijdens de wedstrijd achter wegen dient te laten. Dat gezanik over relaties kan ik er immers niet bij hebben in het heetst van de strijd, die er nu dus even niet is.
Over vrouwen gesproken; het was ‘hun’ week. De week van vrouwenbondscoach Vera Pauw en de week van de in Danny Blind stijl verdedigende Daphne Koster. Emancipatie technisch waarschijnlijk incorrect, maar Koster bikkelde als een vent. Als ik het goed begrepen heb is het vrouwenvoetbal door de uitstekende prestaties van de Oranje Leeuwinnen op het EK in Finland definitief op de kaart gezet.
Natuurlijk, als Nederlanders het op internationale toernooien goed doen in welke sport dan ook, dan schenken wij chauvinisten daar aandacht aan. Judo, kilometers lange zwemtochten, paardrijden, darts, waterpolo, korfbal; noem het maar op, als er ergens op deze globe Oranje succes wordt behaald belonen wij dit met heldenstatus. Ere, wie ere toekomt. Dus ook voor de Oranje Leeuwinnen.
Maar toch. Vrouwen – voetbal. Bij het lezen van deze twee woorden zie ik een tegenstelling, zoals water en vuur of Ajax – Feyenoord. Ik ken wel voetbalvrouwen. Sinds kort is Yolante van de kleine Wesley er bijvoorbeeld zo een. Als volger complementeren ze het begerenswaardige leventje van een voetballer, die vet gevoerd wordt door dagelijks een paar uur tegen een lederen knikker te trappen. Buiten dat bezitten ze mooie, snelle auto’s en prachtige vrouwen. Oppervlakkig, maar het schijnt dat een man niet veel meer nodig heeft om zich gelukkig te voelen. De voetbalvrouw als kostbaar accessoire voor het zijn van de ultieme vent.
Maar van de voetbalvrouwen terug naar de voetballende vrouwen. Ik gun ze het van harte, maar ik weiger deel te nemen aan dat slijmerige spreken over een grote doorbraak. Noem me een barbaarse bruut, maar het vrouwenvoetbal komt nu eenmaal niet zo dichtbij het mannenvoetbal. Tennis en hockey zijn de sporten waarin de vrouwentak qua exposure ongeveer op gelijke voet staan. Dat zal de vrouwen niet lukken bij het voetbal. Simpelweg omdat de televisiekijker het beste van het beste wil zien. Je kijkt Formule 1 en geen Formule 3.
Daarnaast zullen mannen hun laatste exclusieve eigen domein toch niet laten ontfutselen door een nieuwe sport-feministische stroming? Als we het voetbal ook nog eens gaan delen met vrouwen hebben ‘we’ niks meer om voor te vechten. Natuurlijk, het vrouwenvoetbal mag vanaf nu haar eigen plekje krijgen. Maar besef ook dat ‘ze’ zich nu massaal gaan aanmelden bij uw voetbalclub om de hoek. En dat u kantine, de enige plaats waar u heerlijk politiek incorrect kan kankeren, straks bevolkt wordt door meisjes en vrouwen. Ongegeneerde mannelijkheid; van het lachen om scheten, grove grappen over seks en het drinken van ongezond veel bier; het glipt dan allemaal door ‘onze’ handen.
Remco Kock